Biografie van Jan Slauerhoff

Jan Slauerhoff werd geboren op 15 september 1898 als vijfde van zes kinderen in een protestants middenstandsmilieu in Leeuwarden. Hij leed aan aanvallen van astma en om hierin verlichting te brengen bracht hij ieder jaar enkele maanden door op Vlieland bij zijn familie van moederskant.

Nadat Slauerhoff zijn lagere school had afgemaakt, ging hij naar de Rijks-HBS in Leeuwarden. In 1916 verhuist hij naar Amsterdam om geneeskunde te gaan studeren. In zijn studententijd schreef hij zijn eerste gedichten, waarvan er een paar werden gepubliceerd in het studentenblad Propriae Cures. In 1919 verloofde hij zich met Truus de Ruyter, een studente Nederlands. Vanaf 1921 begon Slauerhoff zijn eerste "serieuze" gedichten te publiceren, in het literaire tijdschrift Het Getij. Zijn eerste dichtbundel, Archipel, volgt in 1923. Rond die tijd verbrak hij ook zijn verloving met De Ruyter.

Datzelfde jaar 1923 studeerde hij af. Doordat hij weinig vrienden en vooral veel vijanden heeft gemaakt in de besloten kringen van geneeskundigen viel het hem zwaar een fatsoenlijke medische aanstelling te krijgen in Nederland. Zo besluit hij aan te monsteren als scheepsdokter op bij een rederij die vaart op Nederlands Indië. Zijn zwakke gezondheid speelt hem meteen parten. Op zijn eerste reis kreeg hij last van een maagbloeding en astma-aanvallen. Slauerhoff keerde terug naar Nederland, waar hij waarnemer werd in een aantal praktijken.

Nadat hij een tijdje een gecombineerde praktijk heeft gerund in Haarlem met een tandarts, monsterde hij weer aan bij een andere rederij, de Java-China-Japanlijn, en vertrok weer naar het Verre Oosten. Tijdens zijn contract, dat loopt tot 1927, maakte hij reizen naar China, Hongkong en Japan.

In 1928 ging Slauerhoff varen voor de Koninklijke Hollandsche Lloyd en maakte een aantal reizen naar Latijns Amerika. Zijn gezondheid ging er iets op vooruit en zijn literaire productie nam navenant toe. Tot aan 1930 publiceerde hij zes gedichten- en twee verhalenbundels. Dit is mede te danken aan een van zijn vrienden, de literatuurcriticus Eddy du Perron, die hem in 1929, wanneer Slauerhoff enige tijd verbleef in het Belgische landhuis van de Du Perrons, helpt met het sorteren, corrigeren en bundelen van de grote hoeveelheid teksten.

Vanaf 1929 was Slauerhoff weer meer in Nederland te vinden. Hij was ondermeer een tijdje assistent aan de kliniek voor Dermatologie en Geslachtsziekten van de Rijksuniversiteit Utrecht. In september 1930 trouwde hij met danseres en balletschoolhoudster Darja Collin, wat het begin blijkt van een (korte) gelukkige periode in Slauerhoffs leven.

In 1931 wordt Slauerhoff weer ziek (influenza en longontsteking), en hij vertrekt naar het Italiaanse Merano om te gaan kuren. Zijn vrouw volgt hem in 1932, zodat ze samen de geboorte van hun eerste kind kunnen beleven. Het kind werd echter dood geboren, wat een zware depressie bij Slauerhoff veroorzaakte, nog een desillusie bovenop zijn lichamelijke klachten.

Later in 1932 monsterde Slauerhoff weer aan, ditmaal bij de Holland-West-Afrikalijn. Zijn algehele slechte gezondheid bleef hem zorgen baren en hij overwoog te verhuizen naar Noord-Afrika, omdat dit beter voor zijn gestel zou zijn. In maart 1934 opende hij dan ook een praktijk in Tanger, toendertijd een internationaal protectoraat, maar in oktober van datzelfde jaar was hij alweer in Nederland. De perioden van ziekte worden langer, de symptomen worden ernstiger en zijn relatie met Collin lijdt.

Zijn faam als schrijver groeide daarentegen steeds meer. Zijn romans Het verboden rijk(1932) en Het leven op aarde(1934) werden alom geroemd en zijn gedichtenbundel Soleares (1933) kreeg de Van der Hoogtprijs. In het jaar 1935 volgen weer meer zeereizen, maar ook de scheiding van Collin. Tijdens zijn laatste reis, naar Zuid-Afrika, werd hij ernstig ziek: malaria over een verwaarloosde tuberculose, en ging opnieuw naar Merano om te herstellen. Maar het was al te laat; nog steeds ziek keerde hij in 1936 terug naar Nederland, waar hij werd opgenomen in een rusthuis in Hilversum. Hier stierf hij op 38-jarige leeftijd, een maand na de publicatie van zijn laatste dichtbundel, Een eerlijk zeemansgraf.

 

Billet doux

Ik wilde een gedicht op een waaier schrijven,
Zoodat je de woorden je kunt toewuiven
En de strophen, wanneer je wilt blijven
Mijmren, weer achtloos dicht kunt schuiven.

Maar liever wilde ik dat ze binnen
In je gewaad geschreven stonden,
Zoodat tegelijk met batist of linnen
Mijn gedachten je streelen konden.

Ik zou deze dwaze wensch niet uiten,
Als mij een krankzinnige was vervuld:
Je eenmaal zelf in mijn armen te sluiten…
Maar ik heb engelengeduld.

 

Voor de verre prinses

Wij komen nooit meer saam:
De wereld drong zich tussenbeide.
Soms staan wij beiden ´s nachts aan ´t raam,
Maar andre sterren zien we in andre tijden.

Uw land is zo ver van mijn land verwijderd:
Van licht tot verste duisternis – dat ik
Op vleuglen van verlangen rustloos reizend,
U zou begroeten met mijn stervenssnik.

Maar als het waar is dat door grote dromen
Het zwaarst verlangen over wordt gebracht
Tot op de verste ster: dan zal ik komen,
Dan zal ik komen, iedren nacht.

 

**

Morgen rijd ik met bedwelmende bloemen naar je toe.
Ik wil niet langer wachten, eindelijk weten hoe
Je bent; de bloemen zullen je verraden.
Als je liefdeloos bent, zullen ze kwijnen en treuren;
Als je kwijnt van verlangen, heviger geuren;
Als je brandt van verlangen, hun knoppen scheuren
En jij in een groot gebaar al je gewaden.

 

Woningloze

Alleen in mijn gedichten kan ik wonen,
Nooit vond ik ergens anders onderdak;
Voor de eigen haard gevoelde ik nooit een zwak,
Een tent werd door den stormwind meegenomen.

Alleen in mijn gedichten kan ik wonen
Zolang ik weet dat ik in wildernis,
In steppen, stad en woud dat onderkomen
Kan vinden, deert mij geen bekommernis.

Het zal lang duren, maar de tijd zal komen
Dat vóór den nacht mij de oude kracht ontbreekt
En tevergeefs om zachte woorden smeekt,
Waarmee ´k weleer kon bouwen, en de aarde
Mij bergen moet en ik mij neerbuig naar de
Plek waar mijn graf in ´t donker openbreekt.

 

Het einde

Vroeger toen ´k woonde diep in ´t land,
Vrat mij een onstilbaar wee;
Zoals een gier de lever, want
Ik wist: geen streek geeft mij bestand,
En ´k zocht het ver op zee.

Maar nu ik ver gevaren heb
En lag op den oceaan alleen,
Waar zelfs Da Cunha en Sint-Heleen
Niet boren door de kimmen heen,
Voel ik het trekken als een eb

Naar ´t verre, vaste, bruine land…
Nu weet ik: nergens vind ik vree,
Op aarde niet en niet op zee,
Pas aan die laatste smalle ree
Van hout in zand.